*

 Woensdag 28 maart 2012
dossier

Archief

'Jij bent ook altijd maar dood'

Marieke Henselmans − 23/11/01, 00:00

Het lezen van Flaporen - Het dolfijnenverhaal van Anouk van Augusta Verburg (The House of Books; fl 20,94) deed denken aan het artikel dat Xandra van Gelder, redacteur van de Volkskrant, enige tijd geleden schreef op de Forum-pagina....

Er komen 'ellendige' dingen voor in Kuijers verhaal, dat klopt. De belangrijkste is het overlijden van Pollekes opa. Hetgeen je toch lastig een modern, politiek correct probleem kunt noemen. En op de argumenten dit boekje tot een monstrum te bestempelen valt nog meer af te dingen. Als je alle romans voortaan zou reduceren tot een optelsom van de (meestal ellendige) gebeurtenissen, zou je ze allemaal zo kunnen afbranden. En ze vreselijk tekort doen. Romans gaan nu eenmaal niet over geluk dat eeuwig voortduurt. De kwaliteit ervan wordt bepaald door de manier waarop het is geschreven.

In het geval van kinderboeken komt daar nog iets bij. Hoe jonger het kind, des te groter de kans dat het zichzelf ziet als het centrum van de wereld. De gebeurtenissen om hen heen, de goede, leuke, minder leuke en zelfs de vreselijke, vormen slechts een decor waartegen hun leven zich afspeelt. Kinderen neigen van nature tot optimisme, egoïsme in de goede zin, levenslust, en willen zonodig knokken om problemen op te lossen. Als iemand dat realistisch en humorvol beschrijft is het wel Guus Kuijer.

Ook Anouk, de hoofdpersoon in Flaporen, wordt geconfronteerd met de meest burgerlijke ellende die een kind kan treffen: haar moeder krijgt een nieuwe vriend. En ze heeft dus flaporen, waarmee ze vervelend wordt gepest. Én de buurman met wie ze een speciale band heeft, wordt nog eens ziek.

Toch bezwijkt ook dit boekje niet onder de 'ellende'. Integendeel: het is een onderhoudend, niet al te voorspelbaar en bij vlagen ontroerend verhaal.

Dat er geen vader bij hen woont, vindt Anouk niet erg. Het is alleen lastig als anderen daar vragen over stellen. Voor haar mag alles zo blijven als het was. Maar de moeder mist kennelijk een man. Kan ze buurman Saltonini niet nemen? vraagt Anouk. Buurman met zijn fraaie snor, zijn vriendelijke bruine ogen, gouden tand en de viool waarop hij zo prachtig kan spelen. Maar haar moeder kiest Dirk. Een lomperik die nogal veel bier drinkt en 'geen kinderen gewend is'. Het liefst wil hij Anouks moeder voor zich alleen. Hij vindt dat zij haar kind verwent, dat het kind maar eens wat strenger aangepakt moet worden.

Anouks moeder laveert tussen haar eigen gevoelens en die van haar dochter. Ze sust links en rechts, geeft soms Anouk gelijk (en maakt ruzie met Dirk) en soms hem. Dat laatste blijkt dom. Anouk heeft veel meer in de gaten dan haar verliefde moeder. Ze hoort geluiden uit het huis van de buurman en maakt daaruit op dat er iets mis moet zijn met hem. Maar Dirk, die op bezoek is, heeft geen zin om te gaan kijken. Moeder belooft het te doen, maar vergeet het.

Anouk had gelijk: er was iets mis. Een nacht lang heeft buurman op de badkamervloer gelegen. 's Ochtends komt de ambulance. Wat is er precies aan de hand? Anouk vangt flarden van gesprekken op en trekt haar eigen, verkeerde conclusies. Niemand ziet haar ongerustheid. Anouk voelt zich zo verbonden met de buurman dat ze in haar gedachten met hem in gesprek blijft. Hij geeft goede raad en antwoordt op haar vragen.

Dit wordt op een volkomen natuurlijke wijze beschreven, niet klef of zweverig. Anouk is niet alleen creatief in haar gedachten, maar ook in het dagelijks leven. Ze bedenkt een praktisch en effectief anti-Dirk plan, waar wel wat lef voor nodig is.

Het boekje is in korte eenvoudige zinnen geschreven; het is voor kinderen vanaf een jaar of negen goed zelf te lezen. Het had alleen een minder kitcherige omslag verdiend.

In Brieven aan een Prins van Johanna Kruit (Leopold; fl 28,50, met tekeningen van Kris Nauwelaerts) schrijft een meisje brieven aan haar overleden vader. Op de eerste bladzijde vertelt zij dat ze niet meer weet hoe hij eruit ziet. Dat hij is gaan varen met een boot, toen zij nog heel klein was. Dat haar moeder zegt dat hij dood is, maar dat zij dat niet gelooft. En dat ze deze brieven laat lezen als hij terugkomt.

Het is een gewoon kinderleven waarover zij schrijft. Dat ze onder de tafel zit, en de benen ziet van mamma, oma en de Buuf. Dat de Buuf zegt dat het wel goed komt. Over dat ze graag een hondje wil en dat ze circuskind wil worden van beroep. Over dat ze naar de rommelmarkt gaan. De vader van Daniël komt steeds vaker mama helpen.

Dan komt er ruzie met oma. Waarom doen volwassenen niet altijd wat ze afspreken? De ik-figuur beschrijft in haar brieven gaandeweg niet alleen de kinderlijk opgewekte observaties, maar ook haar boosheid. Ze is boos op haar moeder, die soms zo vrolijk is en haar haar rood verft. Boos op oma omdat die niet meer bij hen wil wonen. En boos op de Buuf, omdat het net is of ze geheimen hebben 'die ik niet mag weten'. En ten slotte ook boos op haar vader: 'Jij bent altijd maar weg. En ook altijd maar dood.'

In de korte poëtische briefjes, die bijna lezen als gedichten, zie je de briefschrijfster groeien. Van ontkenning naar boosheid, en dan naar aanvaarding. Het verhaal heeft een mooi, hoopvol einde. De brieven zijn voorzien van eenvoudige, goed werkende illustraties, die een mooi geheel vormen met de tekst.

mailIcon print